Nieuwe kerndoelen, hoe nu verder?
Vanaf het schooljaar 2026/2027 kunnen de scholen gaan werken vanuit de nieuwe kerndoelen voor Nederlands en rekenen en wiskunde. Wat zijn de consequenties van de nieuwe kerndoelen voor het basisonderwijs? Wat verandert er precies? Wat blijft gelijk? In dit artikel probeer ik daar een beeld van te schetsen. Ik gebruik daarvoor de volgende indeling:
- Kerndoelen en referentieniveaus, wat is wat?
- Wat staat er in de nieuwe kerndoelen?
- Wat betekent dit voor de leerlijnen per groep en voor de methodes?
- Wat betekenen de nieuwe kerndoelen voor mijn school?
Kerndoelen en referentieniveaus, wat is wat?
Even een kort stukje geschiedenis over de kerndoelen en de referentieniveaus, om de nieuwe kerndoelen in het juiste perspectief te zetten.
De overheid heeft al vaker kerndoelen vastgesteld, de laatste stammen uit 2006. Daarvoor waren er ook al kerndoelen, die soms wat uitgebreider en meer gedetailleerd waren. De versie uit 2006, wel bekend via het kerndoelenboekje, waren behoorlijk compact. Dit was met opzet zo gedaan, de uitwerking ervan (wat doe je precies) werd nadrukkelijk overgelaten aan het onderwijsveld. Veel ruimte voor eigen invulling dus. Na enige tijd kwam er wel de wens om de doelen toch concreter te maken en er duidelijke succescriteria aan te koppelen, zodat de scholen beter wisten waar ze naar toe moesten werken. Dat heeft in 2009 geleid tot de referentieniveaus, die inderdaad een stuk concreter zijn uitgewerkt. Vanaf dat moment hebben we dus twee soorten einddoelen, kerndoelen en referentieniveaus, beide vastgelegd in de wet. De referentieniveaus hebben de eerste jaren niet echt veel invloed gehad, dat veranderde toen de Onderwijsinspectie de referentieniveaus opnam in haar beoordelingskader en er normen aan hing: de eindtoets en later doorstroomtoets ging meetellen voor de beoordeling door de inspectie. Vanaf dat moment is er een grote focus gekomen op de referentieniveaus. De referentieniveaus werken ook door naar het voorgezet onderwijs en de MBO’s, het eindniveau voor groep 8 (1F/2F en 1S) zijn de onderste sporten van de ladder van dit bouwwerk. Dit loopt door naar bijvoorbeeld 3F in het MBO.
Nu dus nieuwe kerndoelen, maar eerst nog geen nieuwe referentieniveaus. Het SLO onderzoekt nu hoe de referentieniveaus geactualiseerd moeten worden. Dit kan leiden tot aanpassen of eventueel afschaffen van de referentieniveaus. Bij afschaffen is wel de vraag wat dit betekent voor de doorstroomtoets, want deze is geheel gebaseerd op de referentieniveaus, niet op de kerndoelen.
Wat staat er in de nieuwe kerndoelen?
Zijn de nieuwe kerndoelen echt anders dan de vorige serie en wat is de richting die we hier uit kunnen halen? Ik begin met mijn eindconclusie: de kerndoelen voor Nederlands zijn inderdaad concreter en geven wel een duidelijke richting en zouden kunnen dienen als basis voor de doorstroomtoets. De kerndoelen voor rekenen en wiskunde zijn niet concreter, dus daar mist wel de basis voor een goede beoordeling in bijvoorbeeld een doorstroomtoets.
We bekijken eerst de nieuwe kerndoelen voor rekenen en wiskunde en dan die voor Nederlands.
Kerndoelen rekenen en wiskunde
De hoofdindeling van de kerndoelen bij rekenen en wiskunde is:
Een veelgehoorde opmerking is dat de nieuwe kerndoelen een stuk concreter zijn dan de vorige. Concreetheid is ook nodig om te kunnen dienen als basis van bijvoorbeeld de doorstroomtoets. Om dat te beoordelen een voorbeeld uit de vorige kerndoelen en de huidige kerndoelen:
Als je dit vergelijkt valt op dat er deels hetzelfde staat. Kerndoel 27 is nagenoeg gelijk aan de tweede stip van het ‘het gaat hierbij om’ bij kerndoel 10A. Zo kun je bijna alle tekst uit de vorige kerndoelen (27 t/m 31 in dit voorbeeld) terugzien in kerndoel 10A. Niet veel concreter dus, eigenlijk gewoon dezelfde tekst met een iets andere indeling. Dat is bij de meeste onderdelen van rekenen het geval. De reden dat er in 2009 referentieniveaus zijn ontwikkeld is dat de kerndoelen niet concreet genoeg zijn om bijvoorbeeld een eindtoets op te baseren, dus om te kunnen beoordelen of de doelen ook gehaald zijn. Een doel als ik kan schattend tellen en rekenen kun je niet beoordelen als niet duidelijk is wat er dan schattend uitgerekend moet worden. Rekendoelen vragen om een concrete omschrijving als je ze wilt gebruiken in een toets. Deze kerndoelen (de oude en de nieuwe) kun je daar dus niet voor gebruiken. Misschien niet erg als we de doorstroomtoets toch al willen afschaffen, maar dat is waarschijnlijk niet wat er gaat gebeuren. Je hebt de concreetheid van de referentieniveaus nodig om het als echt einddoel te gaan gebruiken.
Een groot verschil met de vorige kerndoelen zijn de onderdelen bij Wiskunde denk-werkwijzen en Wiskunde en de wereld, die hebben een veel grotere plek gekregen:
Wat betekent dit precies? Neem kerndoel 15:
Het is lastig om hier voor het basisonderwijs een heldere leerlijn voor te ontwerpen. Zonder de achterliggende ideeën van de ontwerpers is het eigenlijk niet te doen om dit uit te werken in voorbeeldgaven. Je kunt wel wat bedenken, maar een ander (auteurs)team bedenkt wellicht weer wat heel anders. Voorlopig dus maar even afwachten op de uitwerking in leerlijnen door het SLO (wat dan weer geen wettelijke status heeft, alleen deze kerndoelen en de referentieniveaus staan in de wet).
Voor alle duidelijkheid: deze nieuwe onderdelen (een groot deel van kerndoel 15 t/m 19) komen zo eigenlijk niet terug in de huidige doorstroomtoets en in een aantal gevallen is ook nog niet meteen duidelijk wat ze precies betekenen. Daarvoor is dus echt een uitwerking in leerlijnen nodig door het SLO om hier meer betekenis aan te kunnen geven.
Kerndoelen Nederlands
Het vakgebied Nederlands is heel anders van aard van rekenen. Bij rekenen zijn veel doelen beheersingsdoelen en is er een redelijk rechtlijnige volgorde. Bij Nederlands zijn de doelen anders, vaak meer concentrisch, minder goed af te toetsen. De grote uitdaging bij een vakgebied als Nederlands is de doelen zo te formuleren dat ze eenduidig zijn, zodat er niet teveel interpretatie nodig is die tot grote verschillen kan leiden.
Laten we eerst eens kijken naar de hoofdindeling van de kerndoelen Nederlands:
Een voorbeeld van een oud en nieuw kerndoel:
Hier kun je wel zeggen dat de nieuwe kerndoelen concreter zijn dan de vorige. Maar concreter dan de referentieniveaus zijn ze niet echt, daar lijken ze ook wel enigszins op.
De trend in de nieuwe kerndoelen voor Nederlands is de nadruk op lezen en leesplezier bij leerlingen, meer schrijven (stellen) en alles meer in samenhang, gericht op kennisopbouw, dus meer thematisch. Maar tegelijk was deze trend ook al ingezet zonder de nieuwe kerndoelen. En ook in de oude kerndoelen (zie kerndoel 9) was er al aandacht op het plezier in lezen. Dus mooi dat er nieuwe doelen zijn, maar voor het basisonderwijs zal er door deze kerndoelen zelf wellicht inhoudelijk niet zoveel veranderen.
Sommige doelen zijn ook wel lastig op een eenduidige manier uit te leggen:
Eerlijk gezegd zie ik niet meteen voor me wat dit betekent in de lespraktijk. Ik kan er wel van alles bij bedenken, maar het is wel op meerdere manieren uit te leggen. De methodemakers zullen hier ongetwijfeld mee aan de slag gaan.
Wat betekent dit voor de leerlijnen per groep en voor de methodes?
Er zijn dus einddoelen in twee vormen: kerndoelen en referentieniveaus. Wie bepaalt nu wat er in welke groep gedaan wordt? Het goede en tegelijk ingewikkelde is: dat staat eigenlijk nergens, een school is vrij om dit te bepalen. In de praktijk wordt de indeling bepaalt door:
- Leerlijnen van het SLO. Deze hebben in de praktijk een beperkte invloed omdat we vooral de methodes volgen. Deze leerlijnen hebben ook geen wettelijke status.
- De methodes. Bijna alles wat we doen wordt bepaald door de methodes. Dit is in de praktijk de belangrijkste bepaler van ons lesaanbod en dus ook van wat we in welke groep doen.
- CITO leerlingvolgsysteem (LVS). De methodemakers hebben in de loop van de tijd goed gekeken wat in het LVS in welk jaar en zelfs welke helft van het jaar getoetst wordt, daar zijn de methodes redelijk op afgestemd. De keuzes van Cito zijn hierin dan ook behoorlijk bepalend geweest voor wat we in welk leerjaar aanbieden en wat nadruk krijgt.
- Eigen inzicht: soms is het nodig af te wijken van de methode, maar dat is in de praktijk nog best lastig voor veel leerkrachten. Een goed zicht op de leerlijn is hierbij van groot belang.
- Gewoonte: niet alles van wat in de methodes staat wordt gevraagd in de kerndoelen of referentieniveaus. Dit is een (vaak zo gegroeide) keuze van de methodemakers.
Om op dit laatste nog wat verder in te gaan: omdat we allemaal bijvoorbeeld het lijdend voorwerp, meewerkend gezegde en stoffelijk bijvoeglijk naamwoord hebben geleerd vinden we dat een belangrijk onderdeel. Maar is het echt nodig, en belangrijk voor nu, staat het ook echt in de kerndoelen? En als het er niet in staat, wie bepaalt dan of een onderdeel terugkomt en hoeveel nadruk (en dus lestijd) dit onderwerp krijgt? Een erg interessant artikel hierover gaat over de vraag waarom we ons grammaticaonderwijs op de huidige manier hebben ingericht, zie de bronvermelding.
Twee belangrijke rekenmethodes zijn aangepast naar de nieuwe kerndoelen. Daarbij zijn Rijke rekenvragen toegevoegd, maar verder is de inhoud nagenoeg gelijk gebleven. Dit geeft wel aan dat de methodemakers ook nog wel wat afwachtend zijn hierin, de doorstroomtoets is immers gebaseerd op de referentieniveaus.
Wat betekenen de nieuwe kerndoelen voor mijn school?
Moet ik meteen aan de slag met mijn team om de gevolgen van de nieuwe kerndoelen in beeld te brengen? Of wacht ik af wat de methodemakers doen?
Ik denk dat het belangrijk is om eerst zelf te weten wat de kerndoelen precies inhouden, lees ze dus zeker een paar keer door. Lees ook de referentieniveaus door. Denk dan met elkaar als team na wat dit zou kunnen betekenen voor de leerlijn in de school. Gaat er veel veranderen of doen we al veel? Bespreek dit vooral op grote lijnen met elkaar, niet meteen op detail voor elke groep. Dat is een groeiproces dat wel langzaam zal volgen. Maar gebruik het moment nu vooral om samen na te denken over de grote lijnen van je onderwijs. Nadenken bijvoorbeeld over wat de plek is van lezen en schrijven (stellen) binnen het curriculum, en welke verbeteringen daar mogelijk zijn. Creëer met elkaar meer bewustzijn rond het curriculum, maar doe dit op een onderzoekende manier, het hoeft niet volgende week allemaal anders. Zodra je als team weet waar het over gaat, kun je ook beter nadenken over de gevolgen en de stappen die je gaat zetten. Een deel zal ‘vanzelf’ opgelost worden omdat de methodes veranderen, een deel blijft gewoon gelijk en een deel zul je zelf wellicht zelf mee aan de slag moeten gaan. Dus denk er wel met elkaar over na, maar maak het niet te groot. Nog niet alle stappen zijn gezet, zoals de vraag wat er gebeurd met de referentieniveaus, dus neem ook je tijd om dit rustig te bekijken.
Bronvermelding:









